Samenvatting

Het aantal minima huishoudens in Utrecht is in 2017 licht toegenomen. Ook het aantal kinderen dat opgroeit in een gezin met een minimum inkomen neemt licht toe. In 2017 groeien zo’n 9.500 Utrechtse kinderen op in een gezin met een minimuminkomen (tot 130% van het Wettelijk Sociaal Minimum). Bijna de helft hiervan groeit op in een huishouden dat leeft van een inkomen op bijstandsniveau. Hoewel het aandeel minimahuishoudens stabiliseert, zien we wel verschuivingen in de samenstelling van de groep. Het aandeel niet-werkende arme huishoudens met een langdurig laag inkomen op bijstandsniveau is toegenomen.

Kerncijfers

 2015201620172018
aantal huishoudens met inkomen tot 130% Wettelijk Sociaal Minimum (WSM)25.20025.20025.700-
% huishoudens met inkomen tot 130% WSM17,817,517,6-
aantal minderjarige kinderen in huishoudens met inkomen tot 130% WSM9.4009.3009.500-
aantal huishoudens met inkomen tot 101% WSM12.60012.30012.800-
% huishoudens met inkomen tot 101% WSM8,98,68,8-
aantal minderjarige kinderen in huishoudens met inkomen tot 101% WSM4.6004.6004.700-
% dat (zeer) slecht kan leven van inkomen7666
% meedoen gemiddeld in Utrecht*80798081
% meedoen bij  inwoners die slecht kunnen leven van inkomen51485652

* Een inwoners ‘doet mee’ als er sprake is van drie van de volgende vier aspecten: het hebben van (vrijwilligers)werk, deelnemen aan sport/culturele activiteiten, actief zijn in de buurt en hebben van sociale contacten
Bron: CBS (IIV), 2017 voorlopige cijfers; Inwonersenquête, gemeente Utrecht

Lichte toename aantal minima huishoudens

In 2017 hebben 25.700 Utrechtse huishoudens een laag inkomen (hier tot 130% van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM)). Dit is een lichte toename ten opzichte van 2016. Sinds 2013 was tot 2017 jaarlijks sprake van een lichte daling. Omdat het nog voorlopige cijfers betreft, kunnen we niet zeggen of er sprake is van een veranderde trend. In 2017 leeft naar schatting 17,6% van de Utrechtse huishoudens van een laag inkomen. In de andere grote steden zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Het aandeel minima huishoudens ligt in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag met respectievelijk 25,9%, 23,7% en 22,8% wel nog aanzienlijk hoger dan in Utrecht. Voor het aandeel huishoudens dat leeft van een inkomen op bijstandsniveau zien we in de andere steden een lichte daling, in Utrecht niet. Zo’n 8,8% van de Utrechtse huishoudens leeft van een inkomen op bijstandsniveau (tot 101% WSM), in 2016 was dit 8,6%.

Meer huishoudens met langdurig laag inkomen

In vergelijking met 2014 is het aandeel huishoudens met langdurig een laag inkomen gegroeid. In 2017 hebben 4.700 huishoudens vier jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau, 11.200 hebben vier jaar of langer een inkomen tot 120% WSM en 13.700 hebben vier jaar of langer een inkomen tot 130% WSM. In totaal leeft een op de tien Utrechtse huishoudens (10,8%) vier jaar of langer van een inkomen tot 130% WSM. Hiernaast zien we dat van de huishoudens met een laag inkomen ongeveer 12.800 huishoudens leven van een inkomen op bijstandsniveau (101% van het WSM). Iets meer dan een derde van deze huishoudens heeft vier jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau. Dit is 3,7% van de Utrechtse bevolking (4.700 huishoudens), in 2014 was dit nog 2,9%.

Meer kinderen in langdurig arme gezinnen

De afgelopen jaren zien we ook een lichte toename van het aantal kinderen in huishoudens met een laag inkomen. In 2017 groeien 9.500 kinderen op in huishoudens met een inkomen tot 130% van het WSM. Dit is 14,3% van de Utrechtse kinderen. Kijken we specifieker naar deze groep, dan zien we dat 5.500 van deze kinderen opgroeit in een huishouden dat langdurig in armoede leeft (vier jaar of langer) en 1.600 van deze kinderen groeit op in een huishouden dat langdurig van een inkomen op bijstandsniveau leeft (2,6% van de kinderen). Dit aandeel is de afgelopen jaren toegenomen. Dit komt omdat er meer huishoudens met kinderen zijn met een inkomen op bijstandsniveau en grotere gezinnen, dus meer kinderen, met een inkomen tot 130% WSM. Opvallend is dat het aantal eenoudergezinnen (die een groter risico op armoede hebben) met een minima inkomen juist is afgenomen.

Grootste deel minima alleenstaand en zonder migratieachtergrond

Huishoudens met een laag inkomen (tot 130% WSM) bestaan vooral uit alleenstaanden (66%) en uit huishoudens zonder migratieachtergrond (52%) en wonen vooral in de wijken Overvecht, Noordwest en Zuidwest. Als we kijken naar de diverse bevolkingsgroepen binnen Utrecht, dan blijkt dat er zich relatief veel minima bevinden onder alleenstaanden en eenoudergezinnen, onder jongeren (<25 jaar) en 65-plussers en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. Deze groepen hebben een groter risico op een laag inkomen.

Meer niet-werkende armen

De toename van het aantal huishoudens met een laag inkomen komt in 2017 volledig door een groei van het aantal niet-werkende minima. Landelijk zien we eenzelfde ontwikkeling. Ruim een kwart van de huishoudens met een laag inkomen in Utrecht (130% WSM) heeft inkomen uit werk: 17% werkt in loondienst en 9% is zelfstandig ondernemer. In 2014 werkte nog bijna een derde van de huishoudens met een laag inkomen in Utrecht. Het aandeel werkende armen blijft hoger dan landelijk gemiddeld. Vergeleken met landelijk gemiddeld heeft Utrecht een jonge (beroeps)bevolking en daardoor mogelijk relatief veel starters op de arbeidsmarkt (met een laag startsalaris) en relatief weinig gepensioneerden. Bovendien is de arbeidsparticipatie in Utrecht relatief hoog; het aandeel werkenden en werkzoekenden is hoger dan landelijk.

 

Nibud: Gezinnen met oudere kinderen het meest kwetsbaar

In de Minima Effect Rapportage (MER) over Utrecht (2018) kijkt het Nibud wat de effecten zijn van de landelijke en Utrechtse armoederegelingen op het kunnen rondkomen van verschillende typen huishoudens. Uit de rapportage blijkt dat het Utrechtse beleid een positief effect heeft op de bestedingsruimte van inwoners. Zonder regelingen als de U-pas, U-polis en de individuele inkomenstoeslag zouden er bij meer huishoudens tekorten ontstaan en de bestaande tekorten groter worden. Het Nibud wijst er ook op dat de tekorten die bij sommige huishoudtypen ontstaan niet door gemeenten kunnen worden opgelost. Daarvoor is inkomensbeleid nodig, wat voorbehouden is aan het rijk. Andere resultaten uit de MER zijn:

  • Behalve stellen met kinderen op het voortgezet onderwijs kunnen alle huishoudtypen de meest noodzakelijke uitgaven betalen.
  • Niet alle huishoudtypen hebben voldoende inkomen om mee te kunnen doen (middelen voor sociale participatie zoals contributies en abonnementen, op bezoek gaan en bezoek ontvangen, vrije tijdsbesteding).
  • Stellen met kinderen op het voortgezet onderwijs zijn financieel het meest kwetsbaar en hebben het meeste last van de armoedeval.
  • Huishoudens onder de AOW-leeftijd met een zorgvraag houden niet op alle inkomensniveaus voldoende over om mee te kunnen doen.
  • Alle onderzochte huishoudens bóven de AOW-leeftijd hebben voldoende inkomen om het restpakket te betalen.                                                      

(Bron: Nibud, MER 2018)

Armoederegelingen gemeente Utrecht

Het doel van de Utrechtse armoedeaanpak is dat mensen ondanks een laag inkomen toch mee kunnen doen. Utrecht kent meerdere armoederegelingen: de U-pas, de collectieve zorgverzekering voor minima (U-polis), de Individuele Inkomens Toeslag (IIT), de Regeling Tegemoetkoming Zorgkosten (RTZ), de Bijzondere Bijstand (BB) en de Kwijtschelding gemeentebelastingen. De RTZ is feitelijk geen armoederegeling, maar een WMO-regeling die ook van toepassing is op mensen met een laag inkomen. In 2016 is de inkomensgrens van de meeste regelingen verhoogd naar 125% van het WSM. Ook is de U-pas-regeling aangepast, onder andere door uitbreiding met een kindpakket. De U-pas is een belangrijke basis bij de armoederegelingen. Eind 2018 zijn er ruim 39.700 U-pashouders.

Minder meedoen bij slecht rondkomen en schulden

In de Inwonersenquête geeft 6% van de Utrechters aan (zeer) slecht te kunnen leven van hun inkomen. Mensen die aangeven slecht te kunnen leven van hun inkomen ervaren een lager persoonlijk en maatschappelijk welbevinden en doen minder mee vergeleken met mensen die aangeven wel goed te kunnen leven van hun inkomen. Gemiddeld doet 19% van de Utrechters niet mee. Van de mensen die aangeven (zeer) slecht te kunnen rondkomen doet 48% niet mee. Ook mensen met schulden doen minder vaak mee. Van de Utrechters met problematische schulden (betalingsachterstand woonlasten en/of andere schuld bij postorder, webwinkel, telecom, e.a.) doet 32% niet mee.

Een op de veertien Utrechters heeft problematische schulden

In de Inwonersenquête geeft 7% van alle Utrechters aan een betalingsachterstand woonlasten en/of een andere schuld te hebben bij een bedrijf of instantie (bijvoorbeeld een webwinkel, postorderbedrijf, telefoonmaatschappij, zorgverzekeraar of een persoonlijke lening bij een bank). Daarnaast heeft 32% een hypotheekschuld en 25% een studieschuld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. 8% van de Utrechters heeft een schuld bij familie of vrienden. 43% van alle Utrechters geeft aan geen schuld te hebben. We weten dat enquête-onderzoek mogelijk een onderrapportage geeft van het aandeel mensen met problematische schulden (mensen met veel schulden doen minder vaak mee aan onderzoek, mogelijk speelt schaamte ook mee bij wel/niet rapporteren). Op basis van de enquête en andere onderzoeken schatten we dat het werkelijke aandeel met problematische schulden ligt tussen de 7% en 20% (Panteia 2015, Armoedemonitor 2017).

Schulden worden besproken in driegesprek buurtteam

Met ingang van september 2016 is het buurtteam de eerste ingang voor hulp bij schulden. In een zogenaamd driegesprek (gesprekken met de inwoner, een generalistische medewerker van de buurtteams en een specialistische trajectbegeleider van Werk en Inkomen) wordt bekeken hoe een inwoner met schulden het best geholpen kan worden. Dit kan een schuldhulpverleningstraject zijn, maar ook ondersteuning bij administratie. In 2018 hebben bijna 1.800 driegesprekken plaatsgevonden. Dit zijn er 300 meer dan in 2017.

Overige cijfers

 2015201620172018
aantal bereikte klanten (gesproken via driegesprekken*)-

-

1.4461.787
Aantal U-pashouders ** -38.75238.59139.721
% huishoudens dat nu of in afgelopen 12 maanden problematische schulden had (betalingsachterstand woonlasten, schuld bij postorder of webwinkel)-887

* Gesprekken met de inwoner (klant), het buurtteam en een medewerker van Werk & Inkomen, waarbij afspraken worden gemaakt voor ondersteuning
** Peildatum 31 december
2018
Bron: Inwonersenquête, gemeente Utrecht; W&I, gemeente Utrecht