Samenvatting

  • Geen toename armoede in eerste coronajaar
  • Huishoudens komen wel minder makkelijk uit armoede
  • Aandeel werkenden met inkomen op armoedegrens neemt langzaam af
  • De meeste minimahuishoudens wonen in Overvecht
  • Aandeel kinderen dat opgroeit in armoede daalt, maar niet in armste groepen
  • Utrechters melden nog geen slechtere inkomenssituatie
  • Goed kunnen leven van inkomen: grote verschillen tussen groepen inwoners
  • Inwoners die slecht kunnen rondkomen doen minder vaak mee
  • Armoederegelingen: bijna 40.000 U-pashouders, meer gebruik

Kerncijfers

 2018201920202021
aantal huishoudens met inkomen tot 125% Wettelijk Sociaal Minimum23.30022.90023.100-
% huishoudens met inkomen tot 125% Wettelijk Sociaal Minimum15,615,014,8-
aantal minderjarige kinderen in huishoudens met inkomen tot 125% WSM8.4008.1008.000-
aantal huishoudens met inkomen tot 101% WSM12.3212.10012.300-
% huishoudens met inkomen tot 101% WSM8,28,07,9-
aantal minderjarige kinderen in huishoudens met inkomen tot 101% WSM4.1004.1004.100-
% dat (zeer) slecht kan leven van inkomen67-5
% meedoen gemiddeld in Utrecht*8181-78
% meedoen bij inwoners die slecht kunnen leven van inkomen5254-50
aantal U-pashouders**39.72138.05239.11539.469

De nieuwste inkomenscijfers van het CBS betreffen Belastingjaar 2020. Het betreffen gegevens van de Belastingdienst, mensen doen pas in de loop van het jaar aangifte over het voorgaande jaar.
* Een inwoner ‘doet mee’ als er sprake is van drie van de volgende vier aspecten: het hebben van (vrijwilligers)werk, deelnemen aan sport/culturele activiteiten, actief zijn in de buurt en hebben van sociale contacten. De vraagstelling is in 2021 voor één subvraag aangepast. Dit heeft een beperkt effect op de indicator waardoor een vergelijking met eerdere jaren mogelijk blijft. ** Peildatum 31 december.
Bron: CBS (IIV), 2020 voorlopige cijfers; Inwonersenquête, gemeente Utrecht

Geen toename armoede in eerste coronajaar

Uit de meest recente inkomenscijfers van het CBS blijkt dat het aandeel huishoudens in de stad dat moet leven van een inkomen op de Utrechtse armoedegrens (125% van het Wettelijk Sociaal Minimum: WSM) licht is gedaald in 2020. We zien wel een kleine toename van het absolute aantal huishoudens met een minimuminkomen van 22.900 in 2019 naar 23.100 in 2020. Dit is echter minder dan de groei van het aantal huishoudens in de stad, waardoor het aandeel daalt.
Ook als we kijken naar nog lagere inkomens, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau (101% van het WSM), zien we dat het aandeel iets daalt, namelijk 7,9% van de huishoudens in 2020 versus 8,0% in 2019. De armoedegrenzen zijn gekoppeld aan het bijstandsniveau. Deze wordt niet standaard aangepast aan de inflatie. Bovenstaande cijfers gaan over 2020, de huidige inflatie speelt nog niet mee in deze cijfers.

Huishoudens komen wel minder makkelijk uit armoede

Hoewel we geen toename zien van het aandeel huishoudens op bijstandsniveau, neemt het aandeel huishoudens dat 4 jaar of langer leeft van een inkomen op bijstandsniveau wel toe. Deze ontwikkeling zien we niet alleen in 2020, maar ook in voorgaande jaren. Binnen de groep huishoudens in Utrecht die moet leven van een inkomen onder de armoedegrens, neemt het aandeel huishoudens met inkomen op bijstandsniveau toe. In 2014 was dit 15% van de huishoudens met een inkomen onder de Utrechtse armoedegrens (125% WSM), in 2020 is dit 23% van deze huishoudens. Daarbij zien we dat het aandeel huishoudens dat langdurig leeft van een inkomen op bijstandsniveau toeneemt, van 3,7% van alle Utrechtse huishoudens in 2017 tot 4,1% in 2020.

Aandeel werkenden met inkomen op armoedegrens neemt langzaam af

Van de huishoudens met een inkomen tot 125% WSM heeft iets minder dan een kwart (23%) een inkomen uit werk. Dit zijn 5.300 huishoudens in Utrecht. Bij huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau heeft een op de vijf huishoudens werk als belangrijkste inkomen (20%). Bij huishoudens met een inkomen tot 125% WSM was in 2017 voor 25% werk het belangrijkste inkomen (versus 23% in 2020). Voor huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau (101% WSM) daalde dit aandeel van 23% in 2017 naar 20% in 2020. In 2021 zien we dat het aantal huishoudens met een uitkering afneemt (zie hoofdstuk Inkomen & uitkeringen). Of daarmee het aandeel werkenden onder arme huishoudens toeneemt kunnen we pas zien in de inkomenscijfers die volgend jaar beschikbaar komen. Het aandeel alleenstaanden bij minimahuishoudens neemt toe. Ruim twee derde van de Utrechtse huishoudens met een minimuminkomen (tot 125% WSM) betreft een alleenstaande (69%).

De meeste minimahuishoudens wonen in Overvecht

Meer dan een op de vijf huishoudens met een inkomen tot 125% WSM, zo’n 4.800 huishoudens, woont in Overvecht. Dit betreft bijna een derde van alle huishoudens in Overvecht (31,5%), bij bijna een kwart van de huishoudens in Overvecht gaat het om langdurige armoede (23,8%). Dat is ruim twee keer zo veel als het stedelijk aandeel.
Het aandeel minimahuishoudens verschilt sterk per wijk. In Overvecht is het aandeel minimahuishoudens het hoogst (31,5%), in Vleuten-De Meern het laagst (7,6%).

Aandeel kinderen dat opgroeit in armoede daalt, maar niet in armste groepen

In 2020 groeit 11,7% van de Utrechtse kinderen (0 t/m 17 jaar) op in een huishouden dat leeft van een inkomen op of onder de armoedegrens (125% WSM). Dit zijn zo’n 8.000 kinderen. We zien een langzame daling van het aandeel kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden van 14,4% in 2014 naar 11,7% in 2020. Ook hier zien we echter dat het aandeel kinderen dat opgroeit in een huishouden met een inkomen op bijstandsniveau (101% WSM) minder daalt. Het aandeel kinderen dat opgroeit in een huishouden dat langdurig leeft van een inkomen op bijstandsniveau (4 jaar of langer 101% WSM) daalt zelfs helemaal niet. In 2020 groeien zo’n 4.100 kinderen op in een huishouden dat leeft van een inkomen op bijstandsniveau. Voor 1.600 kinderen hiervan gaat het om een langdurige situatie: 2,5% van de kinderen in Utrecht groeit op in een huishouden dat langdurig leeft van een inkomen op bijstandsniveau. Kijken we terug tot 2014 dan zien we een lichte stijging. Landelijk is dit ook het geval.

Utrechters melden nog geen slechtere inkomenssituatie

Naast de CBS-cijfers over inkomen over het eerste coronajaar, hebben we ook cijfers uit de Inwonersenquête van eind 2021. Ook hierin zien we dat het aandeel Utrechters dat aangeeft moeite te hebben met rondkomen, daalt. 5% van de inwoners geeft aan (heel) slecht te kunnen leven van hun inkomen. In 2019 was dit nog 7%. Ook in deze cijfers zien we dus geen inkomenseffecten in de coronaperiode. Ook zien we nog geen effect van de sterk toegenomen inflatie en energieprijzen. Naar verwachting hebben meer Utrechters hierdoor moeite met rondkomen, maar dat zien we nog niet in de cijfers van eind 2021.

Goed kunnen leven van inkomen: grote verschillen tussen groepen inwoners

Sommige inwoners hebben meer moeite met rondkomen dan anderen. Bij inwoners met een laag inkomen (tot € 1.700 per maand: 23%), een opleiding op basis- of vmbo-niveau (13%) of een havo-, vwo- of mbo-opleiding (7%) of een Turkse (17%), Marokkaanse (14%) of Surinaamse (10%) migratieachtergrond geeft een groter deel aan (heel) slecht te kunnen leven van hun inkomen. Kijken we naar de wijken in de stad, dan zien we ook hier grote verschillen. Inwoners uit Overvecht geven twee keer zoveel aan (heel) slecht te kunnen leven van hun inkomen (10%). Vrijwel alle groepen inwoners geven in 2021 vaker aan goed te kunnen leven van hun inkomen dan in 2019.

Inwoners die slecht kunnen rondkomen doen minder vaak mee

Op basis van een aantal vragen over school, werk, sport, cultuurbezoek en contacten in de buurt (zie toelichting tabel) bepalen we of inwoners van de stad meedoen. Het aandeel inwoners dat meedoet is in de coronaperiode gedaald. Gemiddeld doet 78% van de Utrechters mee in 2021, in 2019 was dit nog 81%. Mogelijk komt dit doordat de mogelijkheden om activiteiten te ondernemen tijdens corona een stuk minder waren.
Mensen die (heel) slecht kunnen leven van hun inkomen, doen minder vaak mee. De gemeente wil graag dat deze mensen wel mee (kunnen) doen. In 2021 zien we dat ongeveer de helft van deze mensen meedoet (50%), een stijging is door corona uitgebleven. In 2019 was dit aandeel vergelijkbaar (54%).

Armoederegelingen: bijna 40.000 U-pashouders, meer gebruik

Eind 2021 zijn er 39.469 U-pashouders. Dit zijn er 384 meer dan eind 2020. Aan een U-pas is een budget gekoppeld. In 2021 is gemiddeld 61% van het budget door U-pashouders gebruikt. Dat is een flinke toename, in 2020 was dit 49%. In het eerste coronajaar waren de uitgaven nog lager, waarschijnlijk doordat veel activiteiten niet mogelijk waren. In 2021 is daarbij het gezinstegoed geïntroduceerd: het budget van de kinderen in een gezin kan gecombineerd worden. Ook zijn voorwaarden versoepeld, zo is het kopen van een laptop of fiets niet meer gebonden aan maximumbedragen, termijn of leeftijd. Dit heeft waarschijnlijk geleid tot hogere bestedingen en meer gebruik.

Utrecht kent meerdere armoederegelingen om te zorgen dat mensen kunnen rondkomen en meedoen. Sinds 2016 is de inkomensgrens van de meeste regelingen verhoogd naar 125% van het WSM. De U-pas is een belangrijke basis bij de armoederegelingen. Ook huishoudens met een Tozo-uitkering hadden recht op een U-pas.